Op deze pagina vind je een impressie van onze fietstocht door Bhutan.
Dit
was onze route door Bhutan en Sikkim.
- Dromen -
Realiteit
-
Regels -
Honden
- Bruto Nationaal Geluk -
Ontmoetingen
- Een fietsdag
in Bhutan -
Heimwee
-
Gezichten
-----------------------------------------------
Dromen
22 oktober 2004
Twee
jaar ben ik onderweg geweest naar een droom. Nu zit ik daar middenin. De werkelijkheid
benadert de droom. Mooie mensen in traditionele kledij, boeddhistische gebedsvlaggen
wapperend in de wind en prachtige, met ontelbaar veel soorten bomen bedekte bergen.

Er zijn niet veel toeristen. Als we ze al zien, dan scheuren ze voorbij in busjes.
Van het Nationaal Museum in Paro naar een Dzong op een bergrug. Nee, wij niet.
Wij fietsen en stoppen wanneer wij willen. We praten met de mensen op het land
of drinken een glas thee in een golfplaten hutje. Kinderen laten trots plaatjes
zien van The Challenger of The Punisher, Amerikaanse worstelaars die drie jaar
geleden, gelijk met de satellietontvangers, het land zijn binnengedrongen. Toch
is de favoriete sport boogschieten. Vanaf tweehonderd meter schieten de schutters
raak op een doel van 20 bij 20 centimeter. Zelfs in mijn droom zou dat met mijn
slechte ogen niet lukken.
Wat ook niet lukt is het begrip van onze gids Chencho
en chauffeur Karma. We zijn verplicht om door een gids en een chauffeur op sleeptouw
te worden genomen. Of is het andersom? Wat niet in hun belevingswereld past, is
dat we willen fietsen. 'Waarom doen jullie de fietsen niet achterin? Dan ben je
zo in het volgende hotel', zegt Chencho in gebroken Engels.
Hij bekijkt ons
reisschema: "Waarom hebben jullie gekozen voor dat hotel in Gangtey? Daar
is toch helemaal niets te doen. En het hotel is ook nog eens slecht." Geduldig
leggen we hem uit dat het hotel voor ons onbelangrijk is, immers daar dromen wij
alleen maar acht uur om de volgende ochtend weer op de fiets te stappen. 'Nee
Chencho, het hotel hebben we gekozen omdat het op fietsafstand is.' Hij snapt
er werkelijk niets van. Ook niet dat wij overmorgen de Doche La pas omhoog gaan
fietsen. Dat is voor Chencho een nachtmerrie, maar voor ons een droom.
Kan
hij nog mooier zijn? En bovendien fiets ik hier met Carla die in mijn droom meegaat.
--------------------------------------------------------------
24 oktober 2004
"Hier
stoppen we even met dromen Eric. We moeten die pas op weet je nog. De Doche La,
3400 meter boven zeeniveau."
We hebben beiden nog niet eerder op zo'n
hoogte gefietst en weten niet wat dat in combinatie met de lichamelijke inspanning
voor uitwerking op ons zal hebben.
Om half negen vertrekken we uit de hoofd'stad'
Thimpu. Net voor de ochtendspits. Nou ja, ochtendspits. Als je langer dan vijf
minuten in een file van hooguit tien auto's staat, dan heet dat hier spits. Een
aantal jaren geleden is de verkeersagent op het drukste kruispunt vervangen door
verkeerslichten De mensen klaagden er echter over en toen heef koning Jigme Wangchuck
in al zijn wijsheid ze maar weer weg laten halen. Zo wordt het weinige verkeer
hier nog steeds elegant doorgewuifd door een verkeersagent.
Twintig kilometer
geleidelijk klimmen denken we voor de lunch te kunnen halen, dus we spreken met
Chencho af dat we elkaar op de pas zullen treffen.
Hé,
daar ben ik. Stoer hè. Mijn derde fietsreis en nu al in de Himalaya. Trashigang.
Een jaar geleden wist ik nog niet waar het lag, en nu sta ik hier. Met mijn fiets.
En Eric Schuijt.
Trashigang heeft het hele jaar tot mijn verbeelding gesproken.
Het is de 'hoofdstad' van het Oosten. Dat is waar we heen gaan. Dat is ons doel.
Het einde van de wereld. Daar kunnen we niet verder. Daar draaien we om en gaan
we de hele weg weer terug. Het kreeg daardoor in de loop van het jaar iets magisch.
Natuurlijk
wil ik mezelf op onze eerste echte klim een beetje bewijzen tegenover Eric, maar
op tijd bedenk ik dat dit niet verstandig is. Ook de afdaling vanmiddag zal ons
nog veel energie kosten.
Maar eigenlijk hoef ik mezelf helemaal niet te bewijzen.
Elke keer als Eric stopt om een foto te maken of om op me te wachten, is hij verbaasd
hoe dicht ik achter hem zit. Een jubelstemming maakt zich van mij meester als
hij dat zegt, terwijl we elkaar omhelzen ter viering van het bereiken van de eerste
pas in Bhutan.
Hoe
gemakkelijk zo'n jubelstemming kan omslaan, merk ik de volgende dag. We vertrekken
met het vooruitzicht dat we 42 kilometer moeten klimmen, de hele dag dus, en voornamelijk
door subtropische jungle.
Slechts één keer zullen we door een
dorpje komen. De overige dorpjes liggen een paar honderd meter van de weg af,
op de steile hellingen, alleen te voet bereikbaar.
Het is warm en de weg kronkelt ongeleidelijk omhoog. Met de vakantiefietswetten in het achterhoofd schakel ik me helemaal suf om toch maar vooral een cadans te vinden. Als Eric een tijdje achter mij gefietst heeft, mijn worsteling gadeslaand, zegt hij droog: "Het beste is om een versnelling te vinden op het middelste blad, dan op de wat steilere stukken op de trappers te gaan staan. Gebruik de wat vlakkere stukken dan om even bij te komen. Tenminste, zo doe ik het. Ik gebruik zo de minste energie, dus kijk maar wat je er mee doet. Doeii."
Vertwijfeld,
maar vooral boos laat hij mij achter. Ik wil deze reis heel veel van hem leren
maar dit voelt oneerlijk. Uit protest stop ik even om wat water te drinken, en
gebruik de memorecorder om mijn woede af te reageren.
"OK, dit is mijn
gevecht met de berg en ik heb geen andere keus dan hem te winnen."
Ik
haal drie keer diep adem en stap weer op.
Het middelste blad lukt niet, maar
ik vind wel een goed samenspel tussen het kleinste blad en de achtercassette.
Als ik in het dorpje arriveer en Eric met twintig verwonderde kinderen om zich
heen zie staan, grapjes makend, ben ik mijn boosheid ogenblikkelijk vergeten.
Wat een prachtige beloning is dit Shangri-La, dit laatste paradijs, en prijs me
zielsgelukkig dat ik deel uitmaak van Eric's droom.
--------------------------------------------------------------
Regels
1 november 2004
In
Bhutan lijkt men dol op duidelijke administratieve regels. Althans wat toeristen
betreft. Het begint al met het visum. Je komt pas voor een 'visa-approval' in
aanmerking als je via een reisorganisatie een reis boekt en minstens een paar
maanden van tevoren betaalt. Je aanvraag word goedgekeurd door het Ministerie
van Buitenlandse Zaken in Thimpu. Een visum regelen via een buitenlands consulaat
of ambassade zal niet lukken. Pas met het visa-approval kun je een ticket aanschaffen.
Aangekomen op het Madurodam-vliegveld in Paro wordt uit een houten bureaulade
een stapel papier tevoorschijn getoverd, waar jouw visum-goedkeuring tussen zit.
Na betaling van twintig dollar krijg je een stempel in je paspoort en wordt daar
met de hand exact de periode waarvoor je betaald hebt ingeschreven.
Ook onderweg worden we geconfronteerd met bureaucratie. Chencho moet in een boek van alles en nog wat invullen bij de eerste van de drie controleposten op het traject Paro - Trashigang. Pas als deze formaliteiten zijn verricht, gaat de slagboom omhoog en mogen we doorfietsen.
Zelfs
als ik een e-mail wil versturen vanuit een internetcafé, moet je administratief
werk verrichten en persoonlijke details, zoals nationaliteit, ook die van je ouders,
persoonlijke identificatienummer, invullen in een groot boek. Ook moet ik de sites
vermelden die ik bezoek.
--------------------------------------------------------------
Het
wemelt in Bhutan van de zwerfhonden. Lang- en kortharig, groot en klein, vuil
en met vastgeklitte haren, met een korte, lange of helemaal geen staart. Soms
is er een blind of heeft kale plekken. Wat ze met elkaar gemeen hebben, is dat
het allemaal bastaards zijn.
Het mooie is echter dat zelfs de honden
in Bhutan boeddhistisch zijn. Niet één keer zijn Carla en ik agressief
benaderd. Honderden honden zijn we al voorbij gefietst. Niet één
gromde of maakte aanstalten ons achterna te hollen. Carla's 'dogchaser' blijft
ongebruikt in de fietstas.
Als Chencho en Karma op de Kori La met de lunch
op ons wacht, staat al kwispelend een roedel honden likkebaardend te wachten.
In ieder ander land zou een gids ze met stenen verjagen, maar hier niet. Nee hoor,
Chencho neemt zelf een handje gekookte rijst met een momo en voert tegelijkertijd
een van de honden en stukje kip. Voor hem de normaalste zaak van de wereld, want
die hond zou best wel eens zijn gereïncarneerde overgrootmoeder kunnen zijn
of het kind van zijn zwangere zus. Bhutanen geloven namelijk dat de hond het op
een na laatste stadium van reïncarnatie is, dus dat ze na hun dood als mens
worden herboren.
Toch
vormen de vele honden in Bhutan een probleem. Zodra het donker wordt, houden ze
met hun geblaf het hele land wakker. Als er een begint te keffen volgen de anderen
al snel. Vooral nu het volle maan is, huilen ze er lustig op los. De hondenplaag
is onoplosbaar, immers boeddhisten mogen geen dieren doden. Daarnaast hebben honden
een aparte status. In het hiernamaals, als een boeddhist in het donker de weg
is kwijt geraakt, zal een hond met een oplichtende staart hem de weg wijzen.
Wangdi Dorji heeft een gouden oplossing. Voor een vast aantal ngultrum per hond
vangt hij in het dorpje Sengor twintig luidruchtige exemplaren. Die laadt hij
in zijn busje en brengt ze 's nachts het halve land door. Als hij ze bij Jakar
heeft losgelaten, krijgt hij aldaar opnieuw een aantal honden mee voor eenzelfde
tarief, die hij dan weer naar Sengor brengt
------------------------------------------------------------
4
november
Eric
vraagt of hij een foto van hem en zijn maatjes mag maken. Er verschijnt eenbrede
glimlach om de mond van de kleine Bhutaan, terwijl hij gretig 'ja' knikt. Voor
de gelegenheid veegt hij zijn snotneus af met zijn mouw, en terwijl zijn kin trots
omhoog komt schuift hij zijn smoezelige gho* nog even recht. Als de foto is gemaakt,
heeft hij weer alle aandacht voor mijn fiets. "Car-La", leest hij hardop
de rode letters in dzongka** die op mijn frame geschilderd staan. Voorzichtig
glijden zijn kleine handen over het frame en het zilvergrijze materiaal van de
fietstassen. Hij moet weer lachen als hij de draken op de achtertassen ontdekt.
Natuurlijk wil hij weten waar de kilometerteller voor is en, wijzend op de kaart,
waar we heen gaan. "Naar de Phobijaka-vallei." Die kent hij wel, dat
is waar de zwart-genekte kraanvogels elk jaar overwinteren. Tien jaar is hij,
en hij spreekt verbazend goed engels. Als ik vraag wat hij later wil worden, antwoordt
hij volmondig: "Doctor, Miss. I want to make sick people better."
Naarmate we oostelijker komen verbaast het ons steeds meer hoe ontwikkeld de mensen
zijn. School is voor iedereen toegankelijk, dat wil zeggen, alles wordt betaald
door de regering. Dit heeft tot gevolg dat tachtig procent van de kinderen naar
school gaat. Naast het dzongka wordt vanaf de eerste klas engels gegeven. Voor
een volk dat tot 1976 volledig van de buitenwereld afgesloten is geweest, is deze
ontwikkeling een buitengewoon bijzondere. We verbazen ons over de lange-termijn
visie van de Bhutanen. Er wordt goed nagedacht over bijvoorbeeld de duurzame ontwikkeling
van natuur, toerisme, de export van hout en hydro-elektrische energie.
We besluiten
om bij een 'General Shop' een colaatje en wat koekjes te kopen. Er staat een bankje
tegen de gevel waar we even op gaan zitten. De jonge man waar we mee in gesprek
komen blijkt de leraar van de kinderen die we zojuist spraken te zijn. Ik vraag
hoeveel kinderen hij in zijn klas heeft. "Fifty-one, Miss", zegt hij.
We schrikken er van, maar realiseren ons dat Bhutanese kinderen zeer gedisciplineerd
zijn.
Er zijn relatief veel jonge mensen in Bhutan. Het geboortecijfer stijgt
en door kennis en ontwikkeling daalt het sterftecijfer. De bevolkingsaanwas is
een van de grootste problemen van Bhutan voor de nabije toekomst. Werkloosheid,
woningnood en voedseltekorten liggen op de loer.
Met het verhaal over het
Bruto Nationaal Geluk eindigen we het gesprek met de vraag wat geluk voor hem
betekent. De jonge leraar wijst naar twee van zijn leerlingen met een duidelijk
niet-Bhutanees uiterlijk, maar wel in een gho lopen: "Geluk, betekent voor
mij dat het integratieproces goed verloopt."
*Gho = traditionele Bhutaneze klederdracht voor mannen
**Dzongka
= De nationale taal van Bhutan. Letterlijk: de taal die in de kloosters wordt
gesproken.
--------------------------------------------------------------
5 november 2004
Onderweg
vragen Carla en ik aan diverse mensen: "Wat betekent voor u geluk?"
Een Bhutanese opzichter die de reparaties aan het wegdek coördineert antwoordt:
"Voor mij betekent geluk dat al mijn taken goed verlopen." Als ik dezelfde
vraag stel aan de Bengaalse wegwerker naast hem, antwoordt deze: "Ik ben
gelukkig als mijn baas met mij gelukkig is."
Ik stel deze vraag niet
voor niets. In Bhutan is namelijk iets vreemds aan de hand. Tegen alle westerse
normen en waarden in zijn de Bhutanen, let op, gelukkig! Het geluk van de inwoners
is zelfs speerpunt van het regeringsbeleid. Een beleid dat merkbaar goed uitpakt.
De Bhutanese gezichten zien er open uit en er wordt veel gelachen. Maar hun geluk
merk je ook aan hun zachtmoedigheid. Geen agressieve verkooptrucs, het wisselgeld
in winkeltjes klopt altijd en de prijzen voor Bhutanen en toeristen zijn gelijk.
Zelfs de automobilisten zijn blij met deze twee fietsers met wie ze het smalle
wegdek moeten delen. Enthousiast toeteren en zwaaien ze naar je. Als fietstoerist
wordt je hier vanzelf gelukkig!
Volgens de rekensom van de Verenigde Naties
kunnen Bhutanen onmogelijk gelukkig zijn. Immers: geluk begint volgens westerse
waarden pas bij een Bruto Nationaal Product (BNP) van $ 10.000 per inwoner, per
jaar. Maar de BNP-vlieger gaat niet op in Bhutan.
Het
BNP voor Bhutan is een droevige $ 400. In tegenstelling tot het BNP gebruikt de
Bhutanese regering het begrip Bruto Nationaal Geluk. De pijlers hiervan zijn een
goed bestuur, het conserveren van de nationale cultuur, de bescherming van natuur
en milieu en een bescheiden economische groei. De regering realiseert zich dat
de menselijke begeerte naar materialistische voldoening oneindig is en grote nadelen
met zich meebrengt. Het leidt tot vervreemding van sociale contacten en een ongeremde
economische groei, met alle problemen van dien. Het boeddhisme is dan ook niet
voor niets de 'staatsgodsdienst'. De tantristische vorm wel te verstaan, waarbij
de man en vrouw gelijkwaardig zijn. De mannelijke energie en kracht wordt gecombineerd
met de vrouwelijke wijsheid. Zo is het ook met het regeringsbeleid. Krachtig als
er besluiten moeten worden genomen, wijs op de lange termijn.
Dat dit soms
tot economisch vreemde besluiten leidt, bleek een aantal jaar geleden. De export
van hout naar India en Bangladesh was een van de belangrijkste bronnen van inkomsten
voor Bhutan. Een van de concrete punten voor het Bruto Nationaal Geluk-beleid
is, dat Bhutan voor minstens zestig procent bedekt moet blijven met bos. De houtkap
en de verkoop waren echter zo succesvol, dat de bebossing onder de gestelde grens
dreigde te komen. Daarom heeft men de houtexport stopgezet. Tegenwoordig richt
men zich vooral op het toerisme en de export van hydro-elektrische energie naar
India. De regering gaat er in een vijfjarenplan vanuit dat de inkomsten hiervan
in 2007 de staatsbegroting zullen dekken. Dat ze voor kapitaalintensieve projecten,
zoals de aanleg van autowegen, bruggen en waterkrachtcentrales, is aangewezen
op buitenlandse ontwikkelingshulp, blijft een feit.
In het macro-economische
marktdenken heb ik geleerd dat meten is weten en gissen is missen. Daarom moet
je alle sociale en economische beleidspunten kunnen meten en toetsen aan kengetallen.
Als ik een Bhutanese ambtenaar vraag hoe de regering het Bruto Nationaal Geluk
meet, verzucht hij: "Ook het alles willen meten is iets typisch westers.
Kijk eens op straat! Zie hoe de mensen stralen, reis rond en ervaar het geluk."
Twee dagen later. In de berm wacht een boer op een taxi-busje. Aan de chauffeur
heeft hij gisteren geld meegegeven om op de markt suiker, zout en olie te kopen.
Hij wacht hier al geduldig drie uur, maar het zouden er ook wel eens vier kunnen
zijn, hij weet het zelf niet precies. Zijn akker is anderhalf uur lopen naar de
andere kant van de vallei. Hij verbouwt daar rijst voor eigen gebruik. De pepers
op zijn akker, verkoopt hij op de weekmarkt in een dorpje verderop. Met het geld
hiervan kan hij in al zijn levensbehoeften voorzien. "Bent u gelukkig, want
u heeft het niet rijk?" Hij glimlacht: "Rijkdom is een illusie. Rijkdom
zonder vrienden en gezin is niets. Vrienden en een gezin, dát is rijkdom."
--------------------------------------------------------------
11 november 2004
Beste
lezer, je vraagt je misschien af hoe een fietsdag in Bhutan er uitziet. Welnu,
hier volgt een poging:
Rond zes uur staan Carla en ik op en pakken onze fietstassen
in. Een uur later zitten we aan het ontbijt dat bestaat uit toast met ei of jam.
Koffie voor Carla en thee voor mij. Daarna smeren we ons in met zonnemelk, nemen
onze vitamine pillen en Paludrine tabletten tegen malaria en om acht uur zitten
we dik ingepakt op de fiets. Het is dan net even boven nul. Karma vult de bidons
met vers water en Chencho regelt met de kok onze warme lunch.
Naarmate de
zon stijgt, de kilometers vorderen en de tijd verstrijkt, trekken we de ene na
de andere kledinglaag uit. We kronkelen langzaam omhoog langs de steile berghellingen
op weg naar de zoveelste pas van boven de 3.000 meter. De omgevingsgeluiden strelen
onze oren; het gefluit van vogels, de ruis van een beekje, de wind door de bomen
en het gekletter van een waterval. 'Guzuzampo la' groeten wij respectvol de mensen
die op hun akkertjes bijna net zo hard werken als wij op de fiets. Een gebedsmuur
met daarop tientallen boeddhistische mantra's met 'omni padme hum' passeren we,
zoals iedereen hier, linksom. Zacht wapperen de gebedsvlaggen die de boodschap
van Boeddha met de wind over de wereld verspreidt. 
Een vrachtwagen met op de motorklep de vereerde Guru Rinpoche geschilderd, draagt
boven de cabine de acht symbolen van geluk. Op de cardan-as is een demon afgebeeld.
Zijn afschrikwekkende uiterlijk moet panne voorkomen. Achterop staat het meer
praktische 'Blow Horn Please' geschilderd. De chauffeur vindt het fijn als een
achterop komende auto even toetert wanneer die hem wil inhalen. Niet dat dat vaak
gebeurt, want er rijdt hier amper verkeer. Soms een busje met toeristen waarvan
de helft ligt te snurken, in slaap gebracht door de mantra van het motorgezoem
en de ontelbare indrukken die als in een film voorbij flitsen.
Dat de ontelbare
haarspeldbochten voor Chencho en Karma ook vermoeiend zijn, blijkt wel als we
ze rond tien uur slapend tussen een rij gebedsvlaggen en een chorten aantreffen.
Lekker in dromenland op de muziek van de Bhutanese groep Kop Kop Su zijn ze ver
van de wereld. Tot ze liefjes door mij gewekt worden en wij even later aan de
hete thee en biscuitjes zitten. Na een kwartier rust, kachelen we door. We leggen
niet veel kilometers af, want we maken veel foto's. En als we door een van de
zeldzame dorpjes komen, stoppen we voor een praatje en een drankje.
Op één
pas na, kom ik tijdens lunchtijd als eerste boven waar Chencho en Karma trouw
wachten. Ze hebben het volgens Carla nog nooit zo gemakkelijk gehad, want het
enige dat wij van ze verwachten is dat ze het eten en de hotels regelen. Iedere
middag rond één uur staan ze dan ook altijd klaar met rijst, dahl,
groente en vlees in warmhoudpannetjes. We werken de nodige brandstof naar binnen.
Voor een afdaling doen we de fleece jasjes en windbreakers weer aan en zetten
we de fietshelmen weer op. Ik trek mijn fietshandschoentjes aan, al is het alleen
maar dat ik mijn handen niet openhaal als ik val. Met iedere honderd meter die
we dalen stijgt de temperatuur en beginnen we aan onze striptease. Het stuur houd
ik stevig vast en dat is maar goed ook. Soms springt een kei onder het voorwiel
vandaan, trekt mijn fiets schuin weg en heb ik het gevoel dat ik onderuit ga.
Gelukkig grijpen de banden zich goed vast op de ondergrond en schiet ik met een
snelheid van boven de veertig kilometer per uur verder door naar beneden. Op een
volgend stuk wegdek dat 'under construction' is, moet ik mijn snelheid alweer
drastig verlagen. Ik prijs mij gelukkig dat ik blind kan varen op de banden, de
wielen en de remmen. Met een hoge snelheid naar beneden stuiteren over het slechte
wegdek, of op het laatste moment even stevig remmen voor een scherpe bocht zou
ik op een mindere fiets niet durven.
In de namiddag heb ik minder oog voor
de omgeving en trek ik mij terug in mijn hoofd. Daar klinkt Eagle van Abba. Afdalend
op de smalle weg met links een steile afgrond die pas honderden meters lager eindigt,
voelt het alsof ik over een dun koort door de Bhutanese bergen vlieg. Als een
adelaar zo vrij en gelukkig dat ik mij dit kan veroorloven. Ik wacht ik op Carla.
Even genieten we van elkaar en de omgeving om dan weer af te dalen. De melodie
van Eagle fluitend verbaas ik mij over deze 'highway'. Het is alsof hij precies
op maat is gemaakt voor twee Suzuki-taxibusjes. De wegbreedte van drie meter is
net voldoende om twee van die busjes van anderhalve meter breed elkaar te laten
passeren.
Al
fietsend passeren in mijn hoofd alle gebeurtenissen van het afgelopen jaar de
revue. De winkel met alle mooie klanten met hun bijzondere verhalen en de passie
die ze hebben voor het fietsen. En die ene klant die ik boos de deur heb gewezen.
Carla, Laura, Robin, Robert, Edwin, Jonathan, Andrea, René mijn zwager
en mijn vader, iedereen die meehelpt om van de winkel een succes te maken. Vrienden,
de band Lorian, de verenigingen waar ik lid van ben en bovenal mijn familie. Na
een dag fietsen heeft iedereen zijn plaatsje en een stukje waardering gekregen
voor de levensvreugde die ze mij geven. Ik hoop dat de wind mijn waardering overbrengt.
Als we laat in de middag met pijnlijke handen van het remmen dan weer beneden
zijn, is de Siberisch lage temperatuur van vanochtend een tropische warmte geworden.
Maar ook de begroeiing is anders. Van een homogeen sparrenbos bij de pas, zitten
we opeens midden in een groene jungle waar kamerplanten het formaat hebben van
bomen.
Om half zes fietsen we in de schemer het stadje binnen waar ons hotel
is. Chencho maant ons tot spoed: 'Can you hurry up a little?' Het hotel blijkt
nog vier kilometer verder te liggen. Bergop, en dat is een tegenvaller.
Zes
uur is het pikkedonker. Ik zet mijn hoofdlampje op en Carla wordt door Karma,
die achter haar aanrijdt, bijgelicht. Na een werkdag van tien uur, stoppen we
voor het guesthouse. We zijn dan zeven kilometer buiten het stadje, driehonderd
meter hoger en op zijn zachtst gezegd, kapot. De kamerjongens brengen onze fietstassen
naar de kamer en wij gaan rekken, strekken en douchen. Om half acht is het diner
met rijst, dahl, groente en vlees. Kort na negenen liggen we op een oor.
Welnu,
beste lezer. Zo ziet een fietsdag in Bhutan eruit. Maar wees eens eerlijk naar
jezelf. Geloof je echt een stuk tekst een volledige weergave van een fietsdag
in Bhutan kan zijn? Helaas zijn er geen woorden voor om deze droom te beschrijven,
maar ik heb een poging gedaan.
--------------------------------------------------------------
12
november 2004
Na
een laatste heftige fietsdag over het slechtste stuk wegdek dat we in Bhutan tegengekomen
zijn zijn we in Puensholing, de zuidwestelijke grensovergang met India, aangekomen.
Onze fietsexpeditie in Bhutan zit er op. Na 1000 kilometer klimmen en dalen kijken
we uit naar twee relatief makkelijke dagen door de laagvlakte van Noord Bengalen.
Ondanks dat vooruitzicht heb ik nu al heimwee naar Bhutan.
De
enige weg in Bhutan loopt globaal gezien door het midden van het land van west
naar oost, met aan beide uiteinden een afbuiging naar het zuiden waar hij de grens
met India overgaat.
Ik kan de weg niet anders betitelen dan een 900 kilometer
lange landweg van niet meer dan drie meter breed. Het asfalt is stuk gereden en
plaatselijk verzakt waardoor gevaarlijk diepe kuilen zijn ontstaan. Soms is er
niet meer over dan zand en stof, of, als er net een watervalletje in de buurt
is, modder. Regelmatig steken er keien tot wel vijftien centimeter uit omhoog.
'Under Construction' noemen ze dat in Bhutan. Grote hopen grind en rotsblokken
in de berm, en professorisch opgeworpen onderkomens voor de Bengaalse wegwerkers
ondersteunen deze bewering.
Klimatologische
factoren spelende weg op hoger gelegen stukken ook parten. Naarmate we een pas
naderen wordt het wegdek steeds slechter. Vorst, afgewisseld met hoge temperaturen
veroorzaken scheurtjes in het asfalt. Na verloop van tijd worden het losse brokjes
en lost het op in het niets zo lijkt het. Aardverschuivingen, veroorzaakt door
hevige regenval in de zomermaanden, hebben de weg hier en daar weggeslagen. Nadat
zand en rotsblokken zijn weggeschept heeft men op profesorische wijze stuts aangebracht
van wat boomstammen en van een mengsel van vloeibaar teer en zand een tijdelijk
wegdek aangelegd.
En als er al een stuk weg opnieuw geasfalteerd is, werpt
men soms zand of grinddrempeltjes op om alsnog de snelheid van het verkeer af
te remmen.
Dit, gecombineerd met duizenden bochten, maakt dat de gemiddelde
snelheid van een auto niet ver boven de 25 kilometer per uur ligt.
Deze
omstandigheden maken met name het afdalen gevaarlijk. Door het weinige verkeer
nam ik de bochten soms iets te ruim en botste ik één keer bijna
tegen een heel klein wit autootje op. Omdat hij heel langzaam de berg op kwam,
kwamen we beiden op tijd, slippend over het grind, tot stilstand.
Elke keer
als we weer eens tegen de rand van een kuil of een drempeltje botsten met onze
wielen, prezen we ons gelukkig met onze superstevige fietsen die er juist voor
gebouwd zijn om deze ongemakken op te vangen.
De kwaliteit van het wegdek
is niet bepaald iets om naar terug te verlangen.
Vanwaar dan toch die heimwee?
Die heimwee heeft vooral te maken met de leegte en de rust van Bhutan.
Er
wonen slechts een kleine één miljoen mensen in een land dat wat
grootte betreft vergelijkbaar is met Zwitserland. Op de berghellingen zijn vrijwel
geen dorpjes, alleen eindeloze bossen. Naaldbossen, rododendronbossen en subtropische
bossen. In Bhutan wint de natuur het van de mens. Nee, beter gezegd: de mens geeft
de natuur de ruimte, in het belang van de mens.
De
Bhutanese bergen zijn de zuidelijke uitlopers van de Himalaya, maar van zeker
niet te onderschatte hoogte. De meest noordelijke pieken zijn bedekt met eeuwige
sneeuw. De diepe valleien, met geheel van elkaar verschillende klimaatzones en
vegetatie, zijn alleen bereikbaar door de hoge passen te trotseren op die ene
weg. De meeste liggen ruim boven de 2500 meter, de hoogste zelfs op 3750 meter.
Het heeft tot diep in de vorige eeuw geduurd voordat het stuk weg van Wangdi naar
Trashigang werd aangelegd en zo de oostelijke valleien toegankelijker werden.
Maar nog steeds woont zeventig procent van de Bhutanen op meer dan een uur lopen
van een verharde weg. De bereikbaarheid van veel dorpen is dan ook een van de
aandachtspunten van de Bhutanese regering.
Dieper in de valleien stuitten
we op relatief meer bewoning. Naarmate we oostelijker kwamen zagen we de verbazing
op de gezichten van de mensen groter worden als we langsfietsten. Soms begroette
men ons met een diepe buiging. Soms schrok men, want alles wat rijdt toetert immers.
Wij waren echter geruisloos.
Ondanks dat we anders hadden verwacht omdat de
oostelijke grensovergang met India nog steeds gesloten is, passeerde ons gemiddeld
eens per half uur een auto. Ok, soms twee, tijdens de ochtendspits.
Voorbij
Trongsa waren er dagen dat we door niet een dorpje kwamen. Onze belevenissen onderweg
bestonden dan vooral uit het elkaar attent maken op het verschil van de vegetatie
met de vorige vallei, de geluiden van de jungle, een overvliegende inheemse vogel
of een wegvluchtende familie apen of yaks. We stopten even voor een foto, een
versnapering of gewoon om te luisteren naar de rust. Na een kleine week waren
onze hoofden leeg van alle dagelijkse drukte, het werk en de stad.
Als
we al bewoning tegenkwamen waren het kleine dorpen. En nog kleinere dorpen, vaak
niet meer dan één straatje met op het eerste gezicht wat smoezelige
winkeltjes waar alle handel en wandel zich afspeelt. Maar wel met voldoende spullen
om te voorzien in de behoefte van de Bhutanen.
Van Trashigang, het meest oostelijke
punt van onze reis en de 'hoofdstad' van het oosten, hadden we wel wat meer verwacht
dan het dorp dat we aantroffen. Maar ach, bij nadere inspectie bleek Trashigang
alles te hebben wat een hoofdstad tot een hoofdstad maakt: een concentratie van
drie hotels met klinkende namen als Hotel Druk Doethjung, Hotel Puensum en Hotel
Seldon die adverteren met kamers met eigen wc en douche,
lees: mandie; een vooruitstrevende bakkerij die croissants verkoopt, althans,
droge broodjes in de vorm van croissants; een heuse kapsalon, knipbeurt, zowel
voor dames als heren, à zestig eurocent; een zwerver die lege flesjes naar
toeristen gooit; een groot plein waar iedereen rondhangt en het laatste nieuws
bespreekt, het tragische busongeluk van die ochtend waarbij tien mensen het leven
lieten; een internetcafé, al was het maar een hokje van twee bij twee meter
met één computer; een bioscoop waar 'Troy' draaide, al was het dan
op een videoscherm.
Kortom,naarmate we oostelijker kwamen ontdekten we het
authentieke Bhutan.
Vandaar
die heimwee.
--------------------------------------------------------------









